We schuiven de planken en panelen voorzichtig uit de verpakking. Ik leg de schroeven, moeren en bouten soort bij soort bij elkaar. Vindt mijn man prettig. Terwijl ik het plastic en het karton alvast opruim, bekijkt mijn man de instructies. Dit gaat ons lukken. Hij pakt de inbussleutel, ik het eerste paneel en we voelen een flinke vleug vakmanschap door onze aderen stromen. Bob en Bobby de Bouwer zijn we. Maar dan ontdekken we halverwege dat we een plank op zijn kop hebben bevestigd. En dat die la nu dus niet past. Er wordt gevloekt, gezucht en er vallen wat verwijten over en weer. Er zijn dingen die ons samen heel goed afgaan. Een IKEA kast in elkaar zitten valt daar niet onder.
In organisaties gebeurt precies hetzelfde wanneer we leerprogramma’s bouwen. Iedereen begint enthousiast. Het bruist van de ideeën, een paar werkvormen die vorig jaar zo goed werkten bij de leiderschapstraining, dat spel dat Marieke terug wil zien en die modellen die Thomas zo vurig kan uitleggen. Aan ambitie en tijd ontbreekt het niet. Alleen is de kast die ze bouwen geen Billy, maar een training. En waar IKEA duidelijk aangeeft (nou ja, duidelijk, daarover valt te discussiëren) welke plank waar moet, gaat het er binnen leren en ontwikkelen vaak een stuk minder gestructureerd aan toe. Het gevolg is een leerprogramma dat er aan de buitenkant best gelikt uitziet, maar van binnen wiebelt bij het minste zetje.
Dat wiebelen ontstaat wanneer doelen, activiteiten en toetsing niet op elkaar aansluiten. Constructive Alignment noemen we dat. Effectief leren gebeurt wanneer wat je doet voortkomt uit wat je probeert te bereiken. Constructive Alignment is het bouwplan. Het is het logisch op elkaar afstemmen van verschillende onderdelen. Wat mensen moeten leren. Wat ze daarvoor moeten doen. En hoe je ziet dat ze het kunnen. Het klinkt eenvoudig en toch is het bijna altijd dát wat ontbreekt. We starten met de schroeven, bouten en planken, maar vergeten te kijken naar de tekening.
Ik kom het vaak tegen. Een trainer die vooral zijn kennis over de groep uitstort, terwijl het leerdoel vraagt om doen, om oefenen. Werkvormen die creatief zijn en waar het plezier vanaf spat, maar nergens toe leiden. En een evaluatie die wel meet of de locatie inspireerde, de lunch lekker was en er nieuwe inzichten op werden gedaan, maar niet of er in de praktijk daadwerkelijk iets is veranderd. Net als bij de kast merk je het helaas pas als alles al staat. Als deelnemers hun certificaat hebben ontvangen, maar nog steeds niet kunnen wat nodig is.
kies je vanzelf de juiste plank.
Als je weet hoe de kast eruit moet zien, kies je vanzelf de juiste plank. Als het einddoel scherp is, vallen werkvormen en toetsing op hun plek. En dat voelt direct rustiger. Je bouwt niet langer in het wilde weg, maar met een duidelijke route in je hoofd. Dus:
- Begin bij het eindresultaat. Niet bij de werkvorm die iemand graag wil inzetten of de inhoud die nog ergens op de plank ligt. En ook niet bij de duur van een leerprogramma of het aantal slides (ja, dat heb ik echt meegemaakt). Wat moet iemand na afloop kunnen of weten? Hoe ziet dat er concreet uit? Kortom, wat zijn precies de leerdoelen en aan welke competenties wordt gewerkt?
- Bedenk welke leeractiviteiten nodig zijn om de leerdoelen te realiseren. Welke leervormen zijn het meest geschikt? Wie kan de stof het beste overbrengen? En hoeveel tijd is nodig?
- Stel vast hoe je gaat meten of de deelnemers de beoogde competenties effectief beheersen. Je wilt natuurlijk wel dat er na de training in de dagelijkse praktijk iets is veranderd in hun gedrag. Hoe weet je of dat zo is? Wie moet je daarbij betrekken? En wat als er onvoldoende verandering is?
Zo bouw je een programma dat stevig staat. Misschien is het geen gek idee als we voortaan bij het ontwerpen van programma’s standaard een inbussleutel klaarleggen. Onder het mom van “alles werkt beter wanneer het past.” Daar weten Bob en Bobby alles van.
